De Tao van Wantrouwen
Terug naar het overzichtIn de oude wereld vroeg een leerling aan de meester:
“Meester, wanneer wordt voorzichtigheid wantrouwen?”
De meester glimlachte.
“Wanneer bescherming belangrijker wordt dan verbinding.”
De leerling dacht na.
“Maar wantrouwen kan toch verstandig zijn?”
“Zeker.”
antwoordde de meester.
“Niet iedereen spreekt de waarheid.”
“Niet iedereen handelt eerlijk.”
“Niet iedereen heeft goede bedoelingen.”
De meester stond op.
“Kom mee.”
Ze liepen naar een oude vesting die boven op een heuvel stond.
Dikke muren.
Hoge torens.
Zware poorten.
Alles was gebouwd om buiten te houden wat gevaarlijk was.
“Wat zie je?”
vroeg de meester.
“Een veilige plek.”
antwoordde de leerling.
De meester knikte.
“Misschien.”
Ze liepen dichterbij.
De poorten waren gesloten.
De ramen waren dichtgemetseld.
Niemand ging naar binnen.
Niemand kwam naar buiten.
De stilte voelde vreemd.
“Wie woont hier?”
vroeg de leerling.
De meester keek naar de vesting.
“Niemand meer.”
De leerling fronste.
“Waarom niet?”
“Omdat een vesting die alles buiten houdt, uiteindelijk ook het leven buiten houdt.”
Ze liepen verder.
Aan de voet van de heuvel lag een klein dorp.
Kinderen speelden.
Mensen praatten met elkaar.
Er werd gewerkt.
Gelachen.
Soms ontstond er ruzie.
Soms werd iemand teleurgesteld.
Maar het dorp leefde.
“Welke plek is veiliger?”
vroeg de meester.
De leerling keek van de vesting naar het dorp.
“De vesting.”
“Welke plek leeft meer?”
Het antwoord kwam sneller.
“Het dorp.”
De meester glimlachte.
Ze gingen zitten onder een boom.
“Vertrouwen opent deuren.”
zei hij.
“En wantrouwen sluit ze.”
De leerling knikte.
“Maar soms moeten deuren toch gesloten worden?”
“Absoluut.”
antwoordde de meester.
“De vraag is niet of je deuren hebt.”
Hij wees naar het dorp.
“De vraag is of je ooit nog een deur opent.”
De wind streek door de bladeren.
“Veel mensen worden wantrouwend na teleurstellingen.”
De leerling dacht aan zijn eigen leven.
Aan beloftes die niet waren nagekomen.
Aan mensen die iets anders bleken te zijn dan hij had gedacht.
De meester vervolgde:
“Dat is begrijpelijk.” “Pijn leert.”
“Maar soms leert pijn de verkeerde les.”
De leerling keek op.
“Hoe bedoelt u?”
De meester pakte een dor blad van de grond.
“Wanneer één hond je bijt, vermijd je dan alle honden?”
“Natuurlijk niet.”
“Wanneer één boom omvalt, vermijd je dan alle bossen?”
De leerling glimlachte.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat dat niet logisch is.”
De meester knikte.
“En toch doen mensen dit voortdurend met elkaar.”
De leerling werd stil.
Dat herkende hij.
Eén leugenaar.
En ineens vertrouwt iemand niemand meer.
Eén mislukte relatie.
En ineens wordt liefde verdacht.
Eén slechte leider.
En ineens zijn alle leiders verdacht.
De zon stond inmiddels hoog aan de hemel.
“Wat doet wantrouwen met een mens?”
vroeg de leerling.
De meester keek naar de rivier in de verte.
“Het geeft een gevoel van controle.”
“Is dat verkeerd?”
“Niet altijd.”
De meester glimlachte.
“Maar het probleem is dat wantrouwen zichzelf voedt.”
De leerling luisterde aandachtig.
“Wie wantrouwt, zoekt bewijs voor zijn wantrouwen.”
“En vindt het vaak ook.”
“Waarom?”
“Omdat ieder mens fouten maakt.”
De wind werd sterker.
“Wanneer je lang genoeg zoekt, vind je altijd iets dat je angst bevestigt.”
De leerling voelde hoe waar dat was.
Ze liepen naar de rivier.
Het water stroomde rustig voorbij.
“Zie je deze rivier?”
vroeg de meester.
“Ja.”
“Zij vertrouwt de oever niet.”
De leerling keek verbaasd.
“Wat bedoelt u?”
De meester glimlachte.
“Als de rivier de oever volledig zou vertrouwen, zou zij stilvallen.”
“Maar als zij de oever volledig zou wantrouwen, zou zij buiten haar bedding treden.”
De leerling keek naar het water.
Plotseling begreep hij het.
Zelfs de rivier leefde tussen vertrouwen en wantrouwen.
Tussen openheid en begrenzing.
Tussen overgave en onderscheidingsvermogen.
De zon begon langzaam te zakken.
De meester stond op.
“Onthoud dit.”
“Blind vertrouwen maakt kwetsbaar.”
“Blind wantrouwen maakt eenzaam.”
Hij keek naar de stromende rivier.
“De wijze vertrouwt niet iedereen.”
“Maar hij wantrouwt ook niet iedereen.”
“Wat doet hij dan?”
vroeg de leerling.
De meester glimlachte.
“Hij kijkt.”
“Luistert.”
“Leert.”
“En laat zijn hart niet verharden door de fouten van anderen.”
De eerste sterren verschenen.
En terwijl de rivier verder stroomde, begreep de leerling:
dat wantrouwen soms begint als bescherming.
Maar wanneer het de leiding overneemt, verandert bescherming langzaam in gevangenschap.
De naïeve mens vertrouwt iedereen.
De angstige mens vertrouwt niemand.
De wijze mens onderzoekt.
Daarom sluit hij zijn ogen niet voor gevaar.
Maar hij sluit ook zijn hart niet voor het goede.
Want wantrouwen kan beschermen tegen teleurstelling.
Maar het beschermt ook tegen nabijheid.
En wie uit angst alle deuren sluit, ontdekt vroeg of laat dat hij niet alleen het gevaar heeft buitengesloten.
Hij heeft ook de liefde, de vriendschap en het leven zelf buitengesloten.
Daarom bewaakt de wijze zijn grenzen.
Maar hij bewaakt nog zorgvuldiger dat zijn grenzen geen muren worden.
Haribol Deze Tao vormt samen met De Tao van Vertrouwen een prachtig evenwicht.
Zoals zo vaak ligt de wijsheid niet in het ene uiterste of het andere, maar in het vermogen om open te blijven zonder naïef te worden, en onderscheidingsvermogen te ontwikkelen zonder cynisch te worden.