De Tao van Verwondering
Terug naar het overzichtIn de oude wereld geloofden mensen dat wijsheid ontstond door steeds meer te weten.
Dus verzamelden zij:
kennis, ervaring, verklaringen en theorieën.
En hoe meer zij leerden, hoe vaker zij zeiden:
“Dat begrijp ik al.”
Maar zonder het te merken verloren zij iets kostbaars.
Toen vroeg een leerling aan de meester:
“Wat is verwondering?”
De meester nam hem mee naar een open veld.
Daar speelde een klein kind.
Het kind keek naar een vlinder alsof het een wonder was.
Het keek naar een bloem alsof zij voor het eerst op aarde verscheen.
Het keek naar een regenboog alsof de hemel een geheim onthulde.
“Waarom kijkt het kind zo?” vroeg de leerling.
De meester glimlachte zacht.
“Omdat het nog niet heeft geleerd dat alles vanzelfsprekend zou zijn.”
De leerling werd stil.
Daarna liepen zij verder.
Ze kwamen bij een geleerde man.
De man kende de namen van de bloemen.
Hij kende de namen van de sterren.
Hij kende de namen van de vogels.
Maar hij keek nergens meer naar.
Hij wist het immers al.
“Wie begrijpt de wereld beter?” vroeg de meester.
De leerling dacht lang na.
“De geleerde weet meer.”
De meester knikte.
“Maar het kind ziet meer.”
De wind streek zacht door het gras.
De leerling werd stil.
Voor het eerst voelde hij dat kennis en verwondering niet hetzelfde zijn.
Daarna liepen zij naar een bergtop.
Onder hen lag de wereld.
Bossen.
Rivieren.
Steden.
Mensen.
De zon zakte langzaam achter de horizon.
“Meester,” zei de leerling, “hoe kan iemand zich blijven verwonderen wanneer hij ouder wordt?”
De meester keek naar de ondergaande zon.
“Door nooit te denken dat hij het geheel begrijpt.”
Hij wees naar de hemel.
“De mens kent de sterren, maar niet het einde van het universum.”
Hij wees naar de aarde.
“De mens kent het leven, maar niet het mysterie van bewustzijn.”
Hij wees naar het hart van de leerling.
“En de mens kent zichzelf vaak nog het minst.”
De leerling luisterde aandachtig.
De avond viel langzaam.
De eerste sterren verschenen.
Toen sprak de meester:
“De cynicus verwondert zich niet meer omdat hij denkt dat alles verklaard is.”
Hij keek naar de sterrenhemel.
“De onwetende verwondert zich omdat hij weinig weet.”
Daarna glimlachte hij zacht.
“Maar de wijze verwondert zich omdat hij heeft ontdekt hoeveel er nog te ontdekken valt.”
De wind bewoog zacht door de nacht.
En voor het eerst begreep de leerling:
dat verwondering niet het begin is van wijsheid.
En ook niet het einde.
Zij is de metgezel van iedere stap op het pad.
De mens die denkt alles te weten, sluit de deur naar het wonder.
De mens die zich blijft verwonderen, houdt de deur open.
Want achter ieder antwoord wacht een nieuwe vraag.
En achter ieder inzicht schuilt een groter mysterie.
Daarom verliest de wijze nooit zijn verwondering.
Want juist daarin blijft het leven levend.