De Tao van Intrinsieke Slechtheid
Terug naar het overzichtIn de oude wereld discussieerden mensen voortdurend over één vraag:
“Wordt een mens slecht geboren, of slecht gevormd?”
Sommigen wezen naar:
de maatschappij, opvoeding, armoede of omstandigheden. Anderen zeiden: “Het kwaad leeft al in de mens zelf.”
Toen vroeg een leerling aan de meester:
“Bestaat intrinsieke slechtheid werkelijk?”
De meester nam hem mee naar een bos in de schemering.
Daar zag de leerling twee bomen:
één gezond en vol leven, de ander krom, beschadigd en verstikt door donkere schimmel.
“Zijn zij uit hetzelfde zaad ontstaan?” vroeg de meester.
“Waarschijnlijk wel,” antwoordde de leerling.
De meester knikte langzaam.
“Maar wat groeit, wordt beïnvloed door:
voeding, licht, omgeving en verzorging.”
De leerling werd stil.
Daarna liepen zij door een grote stad.
De leerling zag mensen:
liegen, manipuleren, vernietigen, misbruiken en bewust schade aanrichten.
“Maar meester… sommige mensen lijken echt slecht.”
De meester keek naar de menigte.
“Wanneer bewustzijn langdurig wordt gevoed met:
angst, ego, haat, hebzucht en onwetendheid…” Hij wees naar een donkere steeg. “…kan een mens zo ver verwijderd raken van zijn innerlijke licht dat hij nauwelijks nog ziet wat hij geworden is.”
De wind streek koud door de straat.
“Dus bestaat slechtheid niet?” vroeg de leerling.
De meester bleef lang stil.
Toen antwoordde hij zacht:
“Het vermogen tot vernietiging bestaat in ieder mens.”
De leerling keek verbaasd op.
“Maar ook het vermogen tot bewustzijn, liefde en waarheid.”
Daarna bracht de meester hem naar een klein kaarslicht in een donkere kamer.
“Hoeveel duisternis is nodig om dit licht te doven?” vroeg hij.
De leerling dacht na.
“Alleen het ontbreken van bescherming.”
De meester glimlachte zacht.
“Precies.”
De kamer bleef stil.
Toen sprak de meester:
“Veel mensen noemen duisternis een zelfstandige kracht.”
Hij keek naar de kleine vlam.
“Maar vaak is duisternis vooral de afwezigheid van bewustzijn.”
De leerling keek zwijgend naar het licht.
En voor het eerst begreep hij:
dat het grootste gevaar van slechtheid niet alleen ligt in kwaad handelen… maar in het langzaam verliezen van het innerlijke vermogen om waarheid, empathie en verbondenheid nog te voelen.