De Tao van het Ware Zelf
Terug naar het overzichtIn de oude wereld geloofden mensen dat zij zichzelf waren:
hun naam, hun beroep, hun bezit, hun verleden en hun gedachten.
Dus bouwden zij hun identiteit uit herinneringen, prestaties en verhalen.
Maar hoe meer zij zichzelf beschreven, hoe minder zij leken te weten wie zij werkelijk waren.
Toen vroeg een leerling aan de meester:
“Wie ben ik werkelijk?”
De meester nam hem mee naar een helder meer.
Het water was zo stil dat het de hemel weerspiegelde.
“Wat zie je?” vroeg de meester.
“Mijn spiegelbeeld,” antwoordde de leerling.
De meester wierp een steentje in het water.
Het beeld verdween in de rimpelingen.
“En waar ben jij nu?” vroeg hij.
De leerling werd stil.
Voor het eerst had hij geen antwoord.
Daarna liepen zij door een grote stad.
De leerling zag mensen:
zich identificeren met hun succes, hun mislukkingen, hun overtuigingen, hun afkomst en hun rollen.
Iedereen vertelde een verhaal over zichzelf.
Bijna niemand onderzocht wie de verteller was.
“Waarom kennen mensen zichzelf zo slecht?” vroeg hij.
De meester keek naar een acteur op een toneel.
“Wanneer een acteur zijn rol te lang speelt…” Hij keek naar het publiek.
“…kan hij vergeten dat hij een acteur is.”
De leerling dacht lang na.
De wind streek zacht door de straat.
“Maar meester… hoe leert een mens zichzelf kennen?”
De meester wees naar de open hemel.
“Door stil te worden.”
Hij wees naar het hart.
“Door eerlijk te kijken.”
Hij wees naar de gedachten van de leerling.
“En door te ontdekken dat jij niet bent wat je waarneemt.”
De leerling luisterde aandachtig.
“Je bent niet je gedachten.
Want jij kunt ze observeren.
Je bent niet je emoties.
Want jij kunt ze voelen.
Je bent niet je lichaam.
Want jij bent je bewust van je lichaam.”
De leerling werd stil.
Een diepe stilte ontstond.
“Wie ben ik dan?” vroeg hij zacht.
De meester glimlachte.
“Datgene wat waarneemt.”
De leerling keek naar de mensen om hem heen.
Voor het eerst zag hij iets nieuws.
Onder alle verschillen:
dezelfde verlangens, dezelfde angsten, dezelfde hoop, dezelfde zoektocht naar liefde en dezelfde hunkering naar betekenis.
De meester keek naar hem.
“Wat zie je?”
De leerling antwoordde langzaam:
“Ik zie mezelf.”
De meester knikte.
“En daarom zei iedere wijze ooit:
Wie zichzelf kent, kent de mens.”
De avondzon kleurde de hemel goud.
Toen sprak de meester:
“De mens die alleen de wereld bestudeert, verzamelt kennis.”
Hij keek naar de drukke stad.
“De mens die zichzelf bestudeert, ontdekt de bron waaruit alle mensen handelen.”
De wind bewoog zacht door de bomen.
“Want dezelfde krachten leven in ieder mens:
liefde en angst, hebzucht en vrijgevigheid, ego en mededogen, onwetendheid en wijsheid.”
De sterren verschenen langzaam aan de hemel.
“En wie deze krachten in zichzelf leert kennen…” Hij keek rustig naar de leerling.
“…begint ook de wereld te begrijpen.”
De leerling keek zwijgend naar het spiegelende meer.
En voor het eerst begreep hij:
dat het ware zelf niet gevonden wordt door steeds verder naar buiten te kijken... maar door diep genoeg naar binnen te gaan.
Want wie zichzelf werkelijk kent, kent de mens.
En wie de mens kent, begint het leven te begrijpen.
De mens zoekt antwoorden in de wereld.
De wijze onderzoekt zichzelf.
Want in het hart van één mens ligt een afspiegeling verborgen van de gehele mensheid.
Wie zichzelf kent, kent de wereld.
En wie het ware zelf ontdekt, ontdekt dat hij nooit werkelijk gescheiden was van het geheel.