Duurzame voedselketens in verbinding

Stichting Verandering door Verbinding

Voor een eerlijke, gezonde en transparante relatie tussen mens, natuur en voedsel in een tijd van grote verandering.

Algemeen Nut Beogende Instelling

De Tao van het Donker

Terug naar het overzicht

In de oude wereld vroeg een leerling aan de meester:

“Meester, waarom noemt Krishna lust, hebzucht en boosheid de drie poorten naar de hel?”

De meester keek naar de ondergaande zon.

“Wat denk jij dat de hel is?”

De leerling dacht even na.

“Een plaats van lijden.”

De meester knikte.

“Dat is niet onjuist.”

Hij keek naar zijn leerling.

“Maar de meeste mensen zoeken de hel op een verkeerde plek.”

“Waar dan?”

vroeg de leerling.

De meester legde zijn hand op zijn borst.

“Hier.”

De leerling werd stil.

“Kom mee.”

zei de meester.

Ze liepen naar een oude grot.

Binnen was het donker.

In het midden brandde een kleine lamp.

Haar licht was zacht.

Maar voldoende om alles te zien.

“Wat zie je?”

vroeg de meester.

“Een lamp.”

De meester knikte.

“Die lamp is jouw bewustzijn.”

Toen pakte hij een doek en legde die over de lamp.

Het licht werd zwakker.

De grot werd donkerder.

“Wat gebeurde er?”

vroeg de meester.

“Het licht werd minder.”

De meester glimlachte.

“Dat is wat lust doet.”

De leerling keek verbaasd.

De meester vervolgde:

“Lust vertelt de mens voortdurend dat wat hij heeft niet genoeg is.”

“Nog één ervaring.”

“Nog één bezit.”

“Nog één overwinning.”

“Nog één verlangen.”

De doek werd dikker.

Het licht zwakker.

“Ziet de mens nog helder?”

vroeg de meester.

De leerling schudde zijn hoofd.

“Nee.”

Ze bleven zwijgend zitten.

Toen legde de meester een tweede doek over de lamp.

Het licht werd nog zwakker.

“En dit?”

vroeg de leerling.

“Hebzucht.”

antwoordde de meester.

“Wat is het verschil?”

De meester keek naar de lamp.

“Lust verlangt naar meer.”

“Hebzucht wil alles voor zichzelf.”

De leerling dacht aan koningen.

Bedrijven.

Politici.

Investeerders.

Maar ook aan zichzelf.

Aan momenten waarop hij niet wilde delen.

De meester leek zijn gedachten te horen.

“Hebzucht verduistert niet alleen de wereld.”

Hij tikte op zijn borst.

“Zij verduistert vooral de mens zelf.”

De grot werd steeds donkerder.

Toen pakte de meester een derde doek.

Nog voordat hij deze neerlegde, voelde de leerling weerstand.

“En dat is boosheid.”

zei de meester.

De derde doek bedekte het laatste licht.

Nu was de grot bijna volledig donker.

“Wat zie je?”

vroeg de meester.

“Niets.”

De meester knikte.

“Dat is waarom Krishna deze drie poorten noemt.”

De leerling luisterde aandachtig.

“Lust zegt:

‘Ik zal gelukkig zijn wanneer ik krijg wat ik wil.’” “Hebzucht zegt: ‘Ik wil meer dan de ander.’” “Boosheid zegt: ‘Ik accepteer niet dat de werkelijkheid anders is dan mijn wens.’” De grot bleef donker.

Toen sprak de meester zachter.

“En weet je wat zij gemeen hebben?”

De leerling schudde zijn hoofd.

“Alle drie richten zij de aandacht naar buiten.”

“Hoe bedoelt u dat?”

“Lust zoekt buiten zichzelf.”

“Hebzucht verzamelt buiten zichzelf.”

“Boosheid vecht tegen wat buiten zichzelf gebeurt.”

De meester wees naar de lamp.

“Daardoor vergeten mensen naar binnen te kijken.”

Toen gebeurde iets onverwachts.

De meester haalde één doek weg.

Een beetje licht verscheen.

Nog een doek.

Meer licht.

Nog een.

De grot vulde zich langzaam opnieuw met helderheid.

De leerling keek verwonderd toe.

“Zie je?”

vroeg de meester.

“Het licht was nooit verdwenen.”

De meester glimlachte.

“Precies.”

De leerling voelde een rilling.

“Betekent dit dat het donker niet werkelijk bestaat?”

De meester keek naar de lamp.

“Het donker is vaak niets anders dan afwezigheid van licht.”

De wind zong zacht door de ingang van de grot.

Toen sprak de meester:

“Wanneer lust afneemt, ontstaat tevredenheid.”

“Wanneer hebzucht afneemt, ontstaat vrijgevigheid.”

“Wanneer boosheid afneemt, ontstaat begrip.”

“En wat gebeurt er dan?”

vroeg de leerling.

De meester wees naar de lamp.

“Dan begint het licht weer te schijnen.”

De leerling keek naar de vlam.

En voor het eerst begreep hij iets.

Zijn creativiteit.

Zijn verwondering.

Zijn liefde.

Zijn inspiratie.

Waren nooit verdwenen geweest.

Zij waren slechts bedekt geraakt.

Door verlangens.

Door angst.

Door strijd.

Door de overtuiging dat geluk ergens buiten hem lag.

De eerste sterren verschenen.

De meester stond op.

“Onthoud dit.”

“Lust, hebzucht en boosheid maken de wereld niet donker.”

Hij legde zijn hand op het hart van de leerling.

“Zij maken het donker van binnen.”

De leerling keek naar de vlam.

En hij begreep eindelijk waarom Krishna ze de drie poorten naar de hel noemt.

Niet omdat zij hem naar een plaats brengen.

Maar omdat zij hem verwijderen van zijn eigen licht.

Lust fluistert:

“Nog één ding.” Hebzucht fluistert: “Meer voor mij.” Boosheid schreeuwt: “Dit mag niet zo zijn.”

En terwijl de mens luistert, wordt het stiller in zijn hart.

Daarom bewaakt de wijze zijn innerlijke licht.

Want creativiteit groeit in vrijheid.

Liefde groeit in openheid.

En wijsheid groeit in helderheid.

Maar waar lust, hebzucht en boosheid regeren, wordt het donker.

En in het donker vergeet de mens wie hij werkelijk is.

Haribol Deze Tao raakt voor mij aan de kern van wat Krishna in hoofdstuk 16 bedoelt.

De hel is niet eerst een plaats na de dood, maar een toestand van bewustzijn waarin het innerlijke licht wordt bedekt. En juist dat licht is de bron van creativiteit, liefde, verwondering en wijsheid. Wanneer het licht weer zichtbaar wordt, keert ook de levensenergie terug. Jaya Sri Krishna.