De Tao van Halen en Brengen
Terug naar het overzichtIn de oude wereld vroeg een leerling aan de meester:
“Meester, waarom lijken zoveel mensen voortdurend op zoek naar meer?”
De meester keek hem aan.
“Meer wat?”
De leerling dacht na.
“Meer geld.”
“Meer aandacht.”
“Meer erkenning.”
“Meer bezit.”
De meester glimlachte.
“Kom mee.”
Ze liepen naar twee dorpen.
Het eerste dorp was groot en welvarend.
De markten waren vol.
De huizen indrukwekkend.
De mensen druk.
Iedereen leek bezig iets te verzamelen.
Meer voedsel.
Meer grond.
Meer invloed.
Meer zekerheid.
De leerling keek om zich heen.
“Dit dorp lijkt succesvol.”
De meester knikte.
“Dat lijkt zo.”
Toen bleven zij een paar dagen.
Langzaam begon de leerling iets op te merken.
Mensen vertrouwden elkaar weinig.
Iedereen onderhandelde.
Iedereen verdedigde zijn bezit.
Iedereen was bang tekort te komen.
En hoe meer zij verzamelden, hoe groter hun angst leek te worden.
Na enkele dagen vertrokken zij.
Verderop lag een tweede dorp.
Kleiner.
Eenvoudiger.
Minder rijk.
Maar anders.
De bakker bakte brood voor het dorp.
De timmerman herstelde deuren.
De boer verbouwde voedsel.
De leraar gaf kennis door.
De ouderen vertelden verhalen.
De kinderen brachten vreugde.
De leerling keek verwonderd.
“Wat krijgen zij hiervoor terug?”
De meester glimlachte.
“Ga het hen vragen.”
Dus vroeg de leerling het aan de bakker.
De bakker lachte.
“Ik krijg brood van mezelf.”
Daarna vroeg hij het aan de timmerman.
“Ik krijg een huis dat niet instort.”
Hij vroeg het aan de leraar.
“Ik krijg een dorp vol mensen die kunnen lezen.”
Overal kreeg hij hetzelfde antwoord.
Niemand leek bezig met nemen.
Iedereen leek bezig met brengen.
Die avond zaten de leerling en de meester bij een vuur.
“Ik begrijp het niet.”
De meester keek naar de vlammen.
“Wat begrijp je niet?”
“Waarom lijkt dit dorp rijker terwijl het minder bezit?”
De meester pakte een brandende tak uit het vuur.
“Wat gebeurt er wanneer iedere tak haar warmte voor zichzelf wil houden?”
De leerling glimlachte.
“Dan dooft het vuur.”
De meester knikte.
“En wat gebeurt er wanneer iedere tak haar warmte deelt?”
De leerling keek naar de dansende vlammen.
Nu begon hij iets te begrijpen.
De volgende ochtend liepen zij naar een rivier.
Het water stroomde onverstoorbaar voorbij.
“Waarom blijft de rivier leven?”
vroeg de meester.
“Omdat zij blijft stromen.”
“Precies.”
De meester wees naar het water.
“Wat zou er gebeuren als zij alles vasthield?”
“Dan zou zij een stilstaande plas worden.”
De wind streek over het water.
Toen sprak de meester:
“Veel mensen denken dat rijkdom ontstaat door verzamelen.”
Hij keek naar de rivier.
“Maar veel rijkdom ontstaat juist door circulatie.”
De leerling luisterde aandachtig.
De meester vervolgde:
“Wanneer iedereen probeert te halen, ontstaat strijd.”
“Wanneer iedereen probeert te brengen, ontstaat overvloed.”
Plotseling begreep de leerling iets.
Het probleem was niet dat mensen ontvingen.
Het probleem was dat zij vergaten bij te dragen.
Iedereen wilde eten.
Maar niet iedereen wilde zaaien.
Iedereen wilde oogsten.
Maar niet iedereen wilde planten.
Iedereen wilde profiteren van het geheel.
Maar steeds minder mensen voelden zich verantwoordelijk voor het geheel.
De zon begon langzaam onder te gaan.
Toen sprak de meester:
“De mens die leeft vanuit schaarste vraagt: ‘Wat kan ik krijgen?’” De wind werd zachter.
“De mens die leeft vanuit vertrouwen vraagt:
‘Wat kan ik brengen?’” De leerling keek naar het dorp in de verte.
Hij zag bakkers.
Boeren.
Kinderen.
Ouders.
Ouderen.
Geen van hen was volledig zelfvoorzienend.
Maar samen ontbrak het hun aan weinig.
De meester stond op.
“Onthoud dit.”
“Een samenleving wordt niet rijk door wat haar mensen eruit halen.”
Hij wees naar het dorp.
“Zij wordt rijk door wat haar mensen erin brengen.”
De eerste sterren verschenen.
En de leerling begreep:
dat waar iedereen probeert te halen, uiteindelijk tekort ontstaat.
Maar waar iedereen iets brengt, het meeste al aanwezig is voordat iemand erom hoeft te vragen.
De mens die alleen neemt, leeft van wat bestaat.
De mens die brengt, helpt scheppen wat nog niet bestaat.
Daarom vraagt de wijze niet:
“Wat kan ik uit het leven halen?” Maar: “Wat kan ik aan het leven bijdragen?”
Want waar iedereen iets brengt, hoeft niemand voortdurend te halen.
Zoals een rivier overvloed brengt doordat zij blijft stromen, zo ontstaat ware rijkdom wanneer mensen leren geven wat zij kunnen.
En juist daarin schuilt de kracht van het geheel.