De Tao van de Eeuwige Leerling
Terug naar het overzichtIn de oude wereld vroeg een leerling aan de meester:
“Meester, wanneer wordt een mens een meester?”
De meester glimlachte.
“Waarom wil je dat weten?”
“Omdat ik ooit alles wil begrijpen.”
De meester begon te lachen.
Niet spottend.
Maar warm.
Alsof hij een oude vriend terugzag.
“Kom mee.”
zei hij.
Ze liepen naar een berg.
De klim duurde uren.
Tegen de avond bereikten zij de top.
De leerling keek uit over het landschap.
Bossen.
Rivieren.
Dorpen.
Heuvels.
Alles lag aan zijn voeten.
“Wat zie je?”
vroeg de meester.
“Ik zie verder dan ooit.”
De meester knikte.
“En wat zie je daarachter?”
De leerling kneep zijn ogen samen.
In de verte verschenen nieuwe bergen.
Hoger dan de berg waarop hij stond.
Voor het eerst werd hij stil.
De meester glimlachte.
“Dat gebeurt met kennis.”
“Wat bedoelt u?”
“Wanneer een mens weinig weet, denkt hij dat de wereld eenvoudig is.”
De wind speelde met zijn kleding.
“Wanneer hij meer leert, ontdekt hij hoeveel hij niet weet.”
Ze gingen zitten op een rots.
De zon zakte langzaam achter de horizon.
“Waarom noemen mensen iemand een meester?”
vroeg de leerling.
De meester dacht even na.
“Vaak omdat hij veel weet.”
“En is dat terecht?”
De meester pakte een handvol zand.
“Hoeveel zandkorrels liggen er op deze berg?”
“Ontelbaar veel.”
De meester liet één korrel zien.
“Stel dat je deze begrijpt.”
Hij liet nog een korrel zien.
“En deze.”
Nog een.
“En deze.”
Toen keek hij de leerling aan.
“Zou je jezelf dan meester van de berg noemen?”
De leerling lachte.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat er nog ontelbaar veel overblijft.”
De meester knikte tevreden.
De avond viel.
De eerste sterren verschenen.
“De grootste valkuil van kennis,” zei de meester, “is niet onwetendheid.”
“Wat dan?”
“De illusie dat je bent aangekomen.”
De leerling dacht aan alle mensen die hij kende.
Mensen die overal een mening over hadden.
Mensen die nooit meer vragen stelden.
Mensen die dachten dat zij het begrepen.
En hij dacht aan anderen.
Mensen die bleven onderzoeken.
Bleven luisteren.
Bleven leren.
Zelfs wanneer zij al wijs werden genoemd.
Plotseling zag hij het verschil.
De meester wees naar de sterren.
“Zie je die hemel?”
“Ja.”
“Hoeveel sterren zijn er?”
“Ik weet het niet.”
De meester glimlachte.
“Dat is een goed begin.”
De leerling keek verbaasd.
“Waarom?”
“Omdat wijsheid vaak begint met het eerlijk erkennen van wat je niet weet.”
De wind werd zachter.
De nacht stiller.
Toen sprak de meester:
“De onwetende mens denkt dat hij alles weet.”
“De lerende mens ontdekt hoeveel hij niet weet.”
“De wijze mens raakt daar niet ontmoedigd door.”
“Waarom niet?”
vroeg de leerling.
De meester keek omhoog.
“Omdat iedere nieuwe vraag een nieuwe deur opent.”
De leerling keek naar de sterren.
En voor het eerst verlangde hij niet langer naar meesterschap.
Hij verlangde naar verwondering.
De meester stond op.
“Onthoud dit.”
“De meester die ophoudt leerling te zijn, houdt op meester te zijn.”
Hij glimlachte.
“Maar de leerling die blijft leren, blijft groeien zolang hij leeft.”
En de leerling begreep:
dat het doel van kennis niet is om aan het einde van de reis te komen.
Maar om steeds dieper te leren kijken.
De mens die denkt dat hij weet, sluit de deur.
De mens die blijft vragen, opent haar opnieuw.
Daarom probeert de wijze geen meester van de waarheid te worden.
Hij blijft haar leerling.
Want het leven is eindig.
Maar verwondering is grenzeloos.