De Tao van de Dageraad
Terug naar het overzichtIn de oude wereld geloofden mensen dat de nacht nooit zou eindigen.
Wanneer de duisternis diep werd, dachten zij:
“Zo zal het altijd blijven.”
En wanneer stormen opstaken, geloofden zij dat de zon verdwenen was.
Toen vroeg een leerling aan de meester:
“Waarom verliezen mensen zo snel hun hoop?”
De meester nam hem mee naar een heuvel vlak voor zonsopkomst.
De wereld was donker.
De bomen waren slechts schaduwen.
De velden lagen stil.
Geen straal licht was zichtbaar.
“Is het nog nacht?” vroeg de meester.
“Natuurlijk,” antwoordde de leerling.
De meester glimlachte zacht.
“Wacht.”
De leerling werd stil.
De tijd verstreek.
De duisternis leek zelfs dieper te worden.
“Meester,” zei de leerling, “ik zie nog steeds geen zon.”
De meester knikte.
“Dat zien velen.”
De wind streek zacht door het gras.
“En daarom denken zij dat de nacht gewonnen heeft.”
De leerling keek naar de horizon.
Nog steeds niets.
Alleen donkerte.
Toen verscheen in de verte een flinterdunne streep licht.
Zo klein dat zij bijna onzichtbaar was.
“Zie je haar?” vroeg de meester.
De leerling knikte.
“Ja.”
“Wanneer begon de dageraad?”
De leerling dacht lang na.
“Niet toen de zon verscheen…” Hij keek naar de horizon.
“Maar toen de duisternis haar diepste punt had bereikt.”
De meester glimlachte.
Daarna liepen zij door een grote stad.
De leerling zag mensen:
verdeeld door meningen, opgejaagd door verlangens, gevangen in angst, en verblind door hun eigen ego.
Iedereen klaagde over de duisternis.
Weinigen zochten naar het licht.
“Meester,” vroeg hij, “kan een mensheid verdwalen?”
De meester keek naar de stad.
“Zeker.”
“Kan zij zichzelf verliezen?”
“Voor een tijd.”
De leerling werd stil.
“En kan zij terugkeren?”
De meester keek opnieuw naar de horizon.
“Zoals iedere nacht plaatsmaakt voor de ochtend.”
De wind streek zacht door de straat.
“Maar meester… waarom lijkt het soms alsof alles eerst erger wordt?”
De meester wees naar een zaadje dat openbrak in de aarde.
“Voordat iets nieuws geboren wordt, barst vaak eerst het oude open.”
Hij wees naar de hemel.
“Voordat de zon zichtbaar wordt, bereikt de nacht haar diepste punt.”
Hij wees naar de mensheid.
“En voordat bewustzijn groeit, wordt onbewustheid vaak zichtbaar.”
De leerling dacht lang na.
Voor het eerst zag hij dat duisternis niet altijd een einde is.
Soms is zij een overgang.
De avond van het oude.
De ochtend van het nieuwe.
Toen sprak de meester:
“De cynicus kijkt naar de nacht en zegt: ‘Er komt geen morgen.’” Hij keek naar het eerste zonlicht.
“De naïeveling ontkent de duisternis.”
De zon kwam langzaam op.
“Maar de wijze ziet beide.”
De wind bewoog zacht door de wereld.
“Hij ziet de nacht.
Hij ziet de uitdagingen.
Hij ziet de verwarring.”
De gouden zon verscheen boven de horizon.
“Maar hij vergeet nooit dat iedere dageraad ooit begon als een onzichtbare streep licht.”
De leerling keek naar de opkomende zon.
En voor het eerst begreep hij:
dat hoop niet ontstaat doordat de duisternis verdwijnt. Hoop ontstaat wanneer een mens weet dat de zon nog steeds bestaat, ook wanneer hij haar even niet kan zien.
De nacht kan diep zijn.
De storm kan hevig zijn.
En de weg kan donker lijken.
Maar de dageraad vraagt geen toestemming om te verschijnen.
Zij komt altijd.
Daarom houdt de wijze zijn blik niet alleen gericht op de nacht, maar ook op de horizon.